1. Inleiding

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 1. Inleiding

In deze paragraaf staat de gemeentelijke financieringsfunctie centraal en de beheersing van bijbehorende risico’s.
De treasuryfunctie kent de volgende kaders:

  • Wet financiering decentrale overheden (Fido); en
  • Treasurystatuut gemeente Uitgeest 2023.

Allereerst wordt in deze paragraaf ingegaan op de verschillende risico’s en de beheersing hiervan. Daarna wordt ingegaan op de financieringsbehoefte.

2. Financiering

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2. Financiering

In deze paragraaf staat de gemeentelijke financieringsfunctie centraal en de beheersing van bijbehorende risico’s. De gemeentelijke treasuryfunctie voert financiële taken uit binnen de kaders van de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido) en het treasurystatuut. Allereerst wordt in deze paragraaf ingegaan op de toekomstige financieringsbehoefte en komt de bijbehorende renteverwachting aan bod. Hierbij wordt ingegaan op de balansprognose en het verwachte EMU-saldo. Tenslotte worden de verschillende risico’s en de beheersing hiervan behandeld.

2.1 Marktontwikkelingen en rentevisie

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.1 Marktontwikkelingen en rentevisie

Rentevisie: Gezien de recente rentedalingen vanuit de ECB (Europese Centrale Bank) en de algemene verwachting dat de rente in 2025 verder gaat dalen, is de rente met betrekking tot de nog aan te trekken gelden naar beneden bijgesteld. Voor de tarieven op de geldmarkt (leningen korter dan een jaar) wordt veelal gekeken naar het rentetarief dat banken elkaar onderling berekenen (de Euribor) en voor de kapitaalmarkt (leningen langer dan een jaar) naar de rente op staatsleningen. Over het algemeen geldt dat de rente hoger wordt bij een langere looptijd van de lening.

2.2 Renteschema

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.2 Renteschema

De aanbeveling van de BBV (Besluit Begroting en Verantwoording) is om via het zogenaamde renteschema het renteresultaat op het taakveld treasury inzichtelijk te maken.

Renteschema conform Notitie Rente
2026
(bedragen x € 1.000)
a
De externe rentelasten over de korte en lange financiering
797
b
De externe rentebaten (idem)
-/-
0
Saldo rentelasten en rentebaten
797
c1
De rente die aan de grondexploitatie
moet worden doorberekend
-/-
1
c2
De rente van project-financiering die aan
het betreffende taakveld moet worden toegerekend
-/-
0
c3
De rentebaat van doorverstrekte leningen indien daar een
specifieke lening voor is aangetrokken (= projectfinanciering)
+
0
-/-
1
Aan taakvelden toe te rekenen externe rente
796
d1
Rente over eigen vermogen
0
d2
Rente over voorzieningen
0
Totaal aan taakvelden toe te rekenen rente
796
e
De aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag)
-/-
597
f
Renteresultaat op het taakveld Treasury
199

2.3 Financieringspositie

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.3 Financieringspositie

Voor de financiering van de investeringen passen wij totaalfinanciering toe. Dit betekent dat voor iedere investering niet 1-op-1 een lening wordt aangetrokken, maar dat voor de investeringen gebruik wordt gemaakt van meerdere financieringsbronnen. Deze bronnen zijn primair het eigen vermogen en de langlopende schulden. Voor de programmabegroting is een liquiditeitsprognose opgesteld. Op basis hiervan wordt bepaald of en zo ja wanneer extra leningen moeten worden aangetrokken  en welke gevolgen dit heeft voor de rentekosten.

Liquiditeitsprognose (x € 1.000)
2026
2027
2028
2029
(1)
Kasstroom operationele activiteiten
767
1.851
575
700
(2)
Kasstroom investeringsactiviteiten
-6.831
-3.327
-2.262
-429
(3)
Kasstroom financieringsactiviteiten
-976
-1.163
-1.170
-1.196
(4)
Netto kasstroom = (1) + (2) + (3)
-7.040
-2.639
-2.857
-925
(5)
Beginsaldo rekening-courant
0
-7.040
-9.679
-12.536
(4)
Netto Kasstroom
-7.040
-2.639
-2.857
-925
(6)
Eindsaldo (5) + (4)
-7.040
-9.679
-12.536
-13.461

Uit de liquiditeitsprognose volgt de verwachting dat we de komende jaren onderstaande leningen dienen aan te trekken. Als planningen van bestaande projecten en investeringen wijzigen dan heeft dit een direct gevolg op de financieringsbehoefte per jaarschijf.

Nr.
Financieringsbehoefte
2025
2026
2027
2028
2029
(bedragen x € 1.000)
1)
Kasstroom uit operationele activiteiten
1.249
767
1.851
575
700
2)
Kasstroom uit investeringsactiviteiten
-8.773
-6.831
-3.327
-2.262
-429
3)
Kasstroom uit huidige financieringsactiviteiten
-1.305
-1.305
-1.252
-1.251
-1.252
4)
Financieringsbehoefte (-) c.q. overschot (+)
-8.829
-7.369
-2.728
-2.938
-981
5)
Financiële tegoeden < 1jaar (per 01-01)
5.329
0
0
0
0
6)
Restant financieringsbehoefte (-) c.q. overschot (+)
-3.500
-7.369
-2.728
-2.938
-981
7)
Overige vlottende middelen
502
502
502
502
502
8)
Netto vlottende schuld
2.998
10.367
13.095
16.033
17.014
9)
Begrotingstotaal
41.311
39.138
40.187
41.144
41.804
10)
Kasgeldlimiet
3.511
3.327
3.416
3.497
3.553
11)
Nieuw aan te trekken leningen
0
7.040
2.639
2.857
925

2.4 Balansprognose

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.4 Balansprognose

De geprognosticeerde balans is bedoeld om meer inzicht te geven in de financieringspositie en de ontwikkeling van het EMU-saldo. Dit levert het volgende beeld op:

Geprognosticeerde balans (x € 1 mln)
2026
2027
2028
2029
Activa
(Im)materiële vaste activa
54.155
55.771
56.263
54.902
Financiële vaste activa
942
942
942
942
Vlottende activa
6.708
6.867
6.867
6.867
Totaal
61.805
63.580
64.072
62.711
Passiva
Eigen vermogen
13.050
13.322
12.026
10.902
Voorzieningen
5.572
5.599
5.700
5.734
Vaste schulden
33.069
34.456
36.062
35.735
Vlottende passiva
10.114
10.203
10.284
10.340
Totaal
61.805
63.580
64.072
62.711

2.5 EMU-saldo

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 2.5 EMU-saldo

De Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet HOF) bevat de bepaling dat het Rijk en de decentrale overheden een gezamenlijke en gelijkwaardige inspanningsplicht hebben om de Europese begrotingseisen te respecteren (maximaal 3% tekort van bruto binnenlands product). Dit wordt gemonitord via het zogenaamde EMU-saldo. Dit is gebaseerd op werkelijke kasstromen en niet op baten en lasten. 

EMU-saldo
2026
2027
2028
2029
(x € 1.000)
1
Exploitatiesaldo vóór toevoeging aan c.q. onttrekking uit reserves
-455
272
-1.296
-1.124
2
Mutatie (im)materiële vaste activa
5.302
1.616
492
-1.361
3
Mutatie voorzieningen
46
27
101
34
4
Mutatie voorraden (incl. bouwgronden in exploitatie)
353
159
0
0
5
Boekwinst bij verkoop van deelnemingen en aandelen
0
0
0
0
Berekend EMU-saldo
-6.064
-1.476
-1.687
271

3. Risicobeheer

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3. Risicobeheer

3.1 Renterisico vlottende schuld (kasgeldlimiet)

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.1 Renterisico vlottende schuld (kasgeldlimiet)

Een belangrijk uitgangspunt van de Wet Fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten. Teneinde een grens te stellen aan de korte financiering (rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet Fido de kasgeldlimiet opgenomen. De kasgeldlimiet wordt berekend als een vastgesteld percentage (8,5%) van het begrotingstotaal. In onderstaande tabel volgt de ontwikkeling van de kasgeldlimiet:

Toets kasgeldlimiet (x € 1.000)
2026
2027
2028
2029
1.
Toegestane kasgeldlimiet
Begrotingstotaal lasten
39.138
40.187
41.144
41.804
In procenten van de grondslag
8,50%
8,50%
8,50%
8,50%
In bedrag
3.327
3.416
3.497
3.553
2.
Vlottende korte schuld
Opgenomen gelden < 1 jaar
Schuld in rekening courant
Gestorte gelden door derden < 1 jaar
Totaal
-
-
-
-
3.
Vlottende middelen
Contante gelden in kas
Tegoeden in rekening-courant
0
0
0
0
Overige uitstaande gelden < 1 jaar
502
502
502
502
Totaal
502
502
502
502
4.
Totaal netto vlottende schuld (2) - (3)
-502
-502
-502
-502
Toegestane kasgeldlimiet (1)
3.327
3.416
3.497
3.553
Ruimte (+) Overschrijding (-) = (1) - (4)
3.829
3.918
3.999
4.055

3.2 Renterisico vaste schuld (renterisiconorm)

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.2 Renterisico vaste schuld (renterisiconorm)

De renterisiconorm is ingesteld om de rentegevoeligheid van de leningenportefeuille met een rentetypische looptijd van langer dan een jaar te beperken. De renterisiconorm wordt berekend als een vastgesteld percentage (20%) van het begrotingstotaal. Het renterisico heeft betrekking op de vaste schuld en op het bedrag waarover renterisico wordt gelopen. Naast de renteherzieningen zijn hiervoor ook de herfinancieringen van belang, want het renterisico wordt verkleind door aflossingen in de tijd te spreiden. In onderstaande tabel wordt de renterisiconorm vergeleken met het renterisico:

Renterisiconorm (x € 1.000)
2026
2027
2028
2029
1a
Renteherziening op vaste schuld o/g
0
0
0
0
1b
Renteherziening op vaste schuld u/g
0
0
0
0
1.
Netto renteherziening op vaste schuld (1a - 1b)
0
0
0
0
2.
Te betalen aflossingen
1.305
1.604
1.735
1.879
3.
Renterisico (1 + 2)
1.305
1.604
1.735
1.879
4a
Begrotingstotaal lasten
39.138
40.187
41.144
41.804
4b
Het bij ministeriële regeling vastgestelde % van de tot. begroting
20%
20%
20%
20%
4.
Renterisiconorm
7.828
8.037
8.229
8.361
5a
Ruimte onder renterisiconorm (4 > 3)
6.523
6.433
6.494
6.482
5b
Overschrijding renterisiconorm (3 > 4)
0
0
0
0

3.3 Krediet- en beleggingsrisico

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.3 Krediet- en beleggingsrisico

Het kredietrisico is het risico dat de tegenpartij niet aan haar contractuele verplichtingen kan voldoen en dus aan de gemeente haar verstrekte lening niet terugbetaalt. Het beleggingsrisico is het risico dat beleggingen minder waard kunnen worden door de economische situatie, door stijging van de rente, indien aandelen nauwelijks verhandeld kunnen worden of indien de instelling waarin is belegd niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen of failliet gaat. Aangezien wij enkel aandelen hebben in de N.V. Bank Nederlandse Gemeenten en Liander is het beleggingsrisico minimaal.

3.4 Kredietrisico waarborgen en garanties

Terug naar navigatie - Paragraaf D: Financiering - 3.4 Kredietrisico waarborgen en garanties

Borgstellingen kunnen op twee manieren voorkomen:

  1. Directe borgstelling
  2. Achtervang

Bij directe borgstelling staat de gemeente jegens geldgevers borg voor de betaling van rente en aflossing op langlopende geldleningen die door lokale organisaties, instellingen of verenigingen zijn aangetrokken die veelal activiteiten verzorgen die in het verlengde liggen van de gemeentelijke publieke taak.
Achtervang houdt in dat de gemeente, al dan niet samen met het Rijk, een rol speelt in de zekerheidsstructuur van een waarborgfonds, bijvoorbeeld de stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW). Door deze structuur kunnen instellingen die bij een waarborgfonds zijn aangesloten tegen de laagste rente lenen. Mede vanwege de strenge toelatingscriteria en periodieke toetsing door het fonds loopt de gemeente hierbij een veel lager risico dan bij directe borgstellingen.

Waarborgen en garanties x (€ 1.000)
2026
2027
2028
2029
A
Instellingen / verenigingen
102
68
34
0
B
WSW leningen nieuwe verdeling
17.988
17.988
17.988
17.988
B
WSW leningen (50%)
5.964
5.732
5.603
5.474
C
Waarborgfonds sport 50%
60
50
40
30
C
Waarborgfonds sport 100%
28
14
0
0
D
HVC
2.845
2.845
2.845
2.845
E
Hypotheken
80
80
80
80
Totaal
27.067
26.777
26.590
26.417